Met verbazing en enige verontrusting hebben wij, voorzitters van het Belgische VZW Donorkinderen en van de Nederlandse Stichting Donorkind, het opiniestuk van Wybo Dondorp en Guido de Wert gelezen. Beide zijn zij als ethici aan de universiteit van Maastricht verbonden, maar deze mannen van de wetenschap schetsen een incompleet en in onze ogen zelfs riskant beeld, waarbij zij ook nog eens zeer beperkt gebruik maken van recent wetenschappelijk onderzoek.  

Helaas is onze ingezonden brief naar aanleiding van dit opiniestuk niet geplaatst door NRC. Via deze weg willen wij u en deze ethici toch graag informeren over onze opinie, als ervaringsdeskundigen.

Dondorp en de Wert hebben het over het culpabiliseren van ouders, daar zogezegd maatschappelijk de gedachte zou worden opgedrongen dat kinderen zich automatisch verongelijkt zullen voelen. Zelf noemen ze het de ‘mythe van het fundamentele belang van genetische verwantschap’. Donorkinderen zouden ten onrechte de gevoelens die ze ervaren met die van geadopteerden vergelijken. Beide heren gaan nog een stap verder. Zo bevragen ze de wetswijziging van 2004 openlijk: deze zou namelijk enkel de ‘mythe’ aan kracht hebben doen toenemen. Gecombineerd met een tijd ‘waarin ontworteling en identiteitsverlies een belangrijke culturele en politieke drijfveer geworden’ zouden kinderen ‘in verwarring worden gebracht’. Ze suggereren haast dat eventuele issues kinderen worden aangepraat. In Rusland volgt men eenzelfde soort redenering bij de bewering dat mensen homo worden van de gay-pride. Nogal aanmatigend om vanuit een universiteit te oordelen over de gevoelens van anderen.

Voor veel donorkinderen blijft het verbazingwekkend, hoezeer buitenstaanders vinden dat zij mogen bepalen welke familiebanden je als donorkind moet afstaan en wat je daarbij mag voelen. Er is echt nog te weinig onderzoek gedaan voor algemene stellingen en beweringen over het welzijn van donorkinderen waardoor juist zeer terughoudend gehandeld moet worden met het levenslang verbreken van biologische banden waarvan de waarde wetenschappelijk niet geheel is onderbouwd. De technische mogelijkheden daarentegen, schrijden in rap tempo voort. Daarnaast is er een groeiend aantal studies dat aantoont dat het verhaal niet zo simplistisch geschetst mag worden als het maakbaar ouderschap dat vandaag door de industrie gepromoot wordt. Recent onderzoek van onder andere Marja Visser aan de UvA toont aan dat er behoefte is aan meer en betere psychosociale hulpverlening en vroege openheid over de verwekkingswijze voor niet alleen kinderen, maar ook voor ouders en donoren.

Los van het feit dat de beide ethici uit Maastricht totaal voorbijgaan aan de kracht en complexiteit van de vele ervaringsverhalen van donorkinderen, hanteren ze ook een dubieuze dubbele standaard. Wensouders mogen wel zoveel mogelijk genetische verwantschap met hun kind verlangen, maar voor de kinderen die zo ontstaan zou die verwantschap opmerkelijk genoeg ‘een mythe’ zijn. Zorgwekkend is dan ook dat deze beperkte visie van ethici momenteel gebruikt wordt in een werkgroep om in de toekomst een nieuwe voortplantingstechniek IVG (in-vitrogametogenese) mogelijk te maken waarbij iedereen, ongeacht geaardheid, relationele status, dood of levend, toch van een eigen genetisch kind zou kunnen worden voorzien.

Adoptie en donorconceptie verschillen van elkaar, doch zijn er gelijkenissen vast te stellen. De vergelijking wordt al jaren gemaakt in vakliteratuur en professionals in het veld van adoptie- en donorgezinnen zoals Femke Trier, directeur Meeleefgezin. Zowel adoptie- als donorkinderen komen beiden voort uit constructies die door èn met derden werden uitgedacht om aan een kinderwens tegemoet te komen. Het gevoel van ontworteling is een gegeven dat zowel adoptiekinderen als donorkinderen kunnen ervaren wanneer hun volledige biologische oorsprong geen rol in hun leven mag hebben, of zelfs levenslang geheim blijft en ook niet wordt geaccepteerd door hun omgeving. Hoe goed ouders verder voor hen zullen zorgen, dat kind zal zich mogelijk niet ten volle kunnen definiëren, daar het slechts onder een halve en soms valse identiteit dient op te groeien.

Of om het met de woorden van de gerenommeerde psycholoog Dirk De Wachter te zeggen: “Verbinding voelen met zijn oorsprong is een van de meest fundamentele behoeften van de mens. Daarbij zijn de transgenerationele banden cruciaal voor het gronden van de identiteit. Zo kan alle informatie over de afkomst van donorkinderen een wezenlijk verschil maken voor hun toekomst.”

Ethici waaronder Dondorp, De Wert en Bredenoord, die zich tot nu toe in de discussie mengden over de morele dilemma’s van moderne vruchtbaarheidstechnieken, lijken stuk voor stuk voorbij te gaan aan de aandacht die het toekomstig kind daarbij verdient en aan wat goed ouderschap behelst in het algemeen. Het gaat namelijk niet alleen om de gevolgen voor donorkinderen als zij enkel gezien worden als de vervulling van een kinderwens. De wet van 2004 is juist in het leven geroepen om tegemoet te komen aan het Kinderrechtenverdrag. Donorkinderen hebben net als alle andere mensen het recht om hun biologische familie te kennen en daar relaties mee te onderhouden. Het frustreren of bagatelliseren van het belang van contact met (donor)familieleden of zelfs het geheimhouden van zijn of haar achtergrond mag egoïstisch genoemd worden. Goed ouderschap is opkomen voor de rechten van het door jou zo gewenste kind en de oorsprong daarvan respecteren en verwelkomen.

Ties van der Meer – voorzitter Stichting Donorkind NL
Stephanie Raeymaekers – voorzitter VZW Donorkinderen BE